Rhabdodon is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs behorend tot de groep der Euornithopoda. Rhabdodon leefde in het Laat-Krijt, tijdens het Campanien-Maastrichtien, in het gebied van het huidige Frankrijk en Spanje. Het was een middelgrote planteneter die om zich in veiligheid te brengen op twee benen kon rennen, maar bij het eten vermoedelijk ook op de voorpoten rustte.
Vondst en naamgeving In 1844 werden bij de aanleg van een spoortunnel voor de lijn Parijs-Marseille bij La Nerthe in Bouches-du-Rhône door de geoloog Philippe Matheron fossiele tanden gevonden. Onmiddellijk vielen hem de overeenkomsten met de tanden van Iguanodon op
De typesoort Rhabdodon priscus werd door Matheron benoemd in 1869 waarbij behalve de tanden ook wat andere resten als syntypen werden beschreven. De geslachtsnaam betekent 'tand met cannelures' van het Oudgrieks ῥάβδος, rhabdos, 'staf', 'cannelure', de holle verticale groeve op een zuil. De soortaanduiding betekent 'vroeg' in het Latijn. In zijn allereerste publicatie noemde Matheron in de hoofdtekst de soort Rabdodon priscum, dus zonder h en met de soortaanduiding foutief in het onzijdig. In een tabel was de spelling Rhabdodon priscum en het etymologisch correcte Rhabdodon is sindsdien door alle andere schrijvers en hemzelf aangehouden. In een tweede publicatie uit 1869 gebruikte Matheron Rhabdodon priscus en dat geldt als een geldige emendatie van de soortaanduiding.
In 1831 was door Friedrich Ludwig Fleischmann al eerder een slang Rhabdodon genoemd. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw was dit duidelijk geworden en men begon toen alle resten van Rhabdodon bij het verwante geslacht Mochlodon onder te brengen. Een beslissing, Opinio 1483, van het ICZN heeft de naam ten opzichte van de dinosauriër in 1988 echter een nomen conservandum gemaakt. left|thumb|Het fossiel van R. septimanicus De door Matheron gevonden tanden maken grotendeels deel uit van de collectie van het Muséum National d'Histoire Naturelle te Parijs maar hebben geen gepubliceerd inventarisnummer. Specimen MNPL 30, een stuk linkeronderkaak met tanden dat deel uitmaakt van de collectie van het natuurhistorisch museum van het Palais Longchamp in Marseille, is in 2002 tot lectotype gekozen hoewel het door verbrokkeling in zeer slechte toestand was. Verschillende van de in 1869 beschreven beenderen werden bij die gelegenheid aangewezen als paratypen. Het betreft de specimina MPLM 31: een stuk van een rechterdentarium; MPLM 32: een stuk van een dentarium; MPLM 34: een stuk achterste ruggenwervel; MPLM 36: twee vergroeide sacrale wervels; MPLM 51: twee achterste staartwervels en een linkerspaakbeen; MPLM 61; de onderkant van een rechterdijbeen; MPLM 59: de bovenkant van een rechterdijbeen; en MPLM 60: een rechterscheenbeen.
Later zijn er meer vondsten gedaan in het zuiden van Frankrijk. De resten van de soort zijn in het vroege Maastrichtien niet zeldzaam; later verdwijnt hij uit de lagen. De oudste aan Rhabdodon toegewezen fossielen stammen uit het vroege Campanien. De tweede vondst uit Frankrijk, van 1939 af opgegraven bij Fox-Amphoux, werd in 1947 gemeld door Albert-Félix de Lapparent. Het ging daarbij om stukken van de schedel en andere delen van het skelet. Verder zijn er vondsten gedaan bij Vitrolles-Couperigne, Cruzy, en Campagne-sur-Aude. Vondsten uit Spanje zijn aan een Rhabdodon sp. toegewezen. De platen Armorica en Iberia zaten aan het eind van het Krijt vaak aan elkaar vast en het is dus aannemelijk dat ze een en dezelfde fauna deelden. Vondsten uit Oostenrijk van Mochlodon zijn met Rhabdodon in verband gebracht: Oligosaurus adelus (Seeley, 1881) en Ornithomerus gracilis (Seeley, 1881) worden wel als jongere synoniemen van Rhabdodon gezien. In 1899 hernoemde Nopcsa Mochlodon inkeyi tot Rhabdodon inkeyi. Nopcsa meende in 1915 dat Mochlodon suessi identiek was aan Rhabdodon priscus; Oskar Kuhn benoemde in 1964 een aparte soort Rhabdodon suessii. De vondsten uit Oostenrijk zijn van het toenmalige Austro-Alpine Eiland dat geen verbinding had met Frankrijk; dat maakt een identiteit met Rhabdodon dubieus. left|thumb|De Europese Archipel in het Opper-Krijt Een Roemeense vorm kreeg in 1900 van Franz Nopcsa de aparte soortnaam Rhabdodon robustus op basis van een onderkaak, BMNH R.3392; dit is echter later toegewezen aan een apart geslacht: Zalmoxes, als Z. robustus. Dit duidt er al op dat misschien allerlei kleine overblijfselen van verwante dieren ten onrechte aan één vorm zijn toegeschreven. Verschillende Franse onderzoekers blijven echter van een R. robustus spreken.
Er is in 1991 door Eric Buffetaut en Jean Le Loeuff een vijfde soort benoemd: Rhabdodon septimanicus, gebaseerd op specimen MTL02, een rechteronderkaak van een jong dier, deel van de collectie van het Laboratoire de Paleontologie des Vertèbrés, Université Paris-VI. De soortaanduiding verwijst naar de oude Westgotische provincie Septimania. De validiteit van deze soort is omstreden. Er is in 1999 een nieuw vrijwel compleet skelet gerapporteerd, specimen MHN-AIX PV 1995 bij Couperigne gevonden in 1995, dat in 2002 beschreven werd door Marie Pincemaille-Quillévéré. In 2006 beschreef deze onderzoekster de hersenpan aan de hand van specimina M4 en MN25.
In 2010 hernoemde Gregory S. Paul Zalmoxes tot een Rhabdodon robustus maar dat heeft geen navolging gevonden.
In 2010/2013 heeft Phornphen Chanthasit de osteologie van Rhabdodon in een proefschrift in detail beschreven met aan de hand van een tweede skelet, specimen MHN-AIX-PV 2007. Hieruit bleek dat het Franse materiaal, dat daarbij een aanzienlijke tijdspanne beslaat, nogal variabel is. Chanthasit erkende naast R. priscus en R. septimanicus echter geen andere soorten. De verschillen zouden het gevolg zijn van individuele variatie en seksuele dimorfie.
In 2025 werd voor R. septimanicus een apart geslacht benoemd: Obelignathus. Bij die gelegenheid werd gemeld dat het lectotype van Rhabdodon priscus niet meer in de verzamelingen te vinden was.
Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|upright=1.7| Weergave van de tot 1995 gevonden delen van het skelet De meeste gevonden resten van Rhabdodon wijzen op exemplaren van maar een vier à vijf meter lang. Omdat dit kleiner is dan Iguanodon is wel verondersteld dat het om een dwergvorm gaat die in grootte beperkt werd door de geringe oppervlakte van de eilandengroep die Europa toen vormde en waar hij exclusief gevonden is. Aan de andere kant zijn de laatste jaren ook fragmenten gevonden van individuen die aanzienlijk groter zijn, hoewel het daarvan niet zeker is dat het materiaal aan Rhabdodon behoort. Daarbij houdt de hypothese van dwergvorming geen rekening met de fylogenetische positie van Rhabdodon: voor zo'n basale vorm was hij tamelijk groot en hij was zelfs een reus vergeleken met andere Rhabdodontidae.
Een studie uit 2012 wees erop dat zich een opmerkelijke variatie in grootte voordoet tussen de verschillende exemplaren. Specimen MHN AIX PV 2008.1.11, hoewel gezien de botstructuur een volwassen dier, duidt op een lengte van maar anderhalve meter, terwijl specimen MHN AIX PV 2007.4.116, een dijbeen, op een lengte van 5,9 meter wijst. Daarbij lijken de specimina als men ze allemaal aan een grafiek toevoegt in twee groepen te clusteren, een met een volwassen grootte van tegen de zes meter, en een tweede met een volwassen grootte van vierenhalf à vijf meter. MHN AIX PV 2008.1.11 vormt daarnaast een groep op zich. De studie concludeerde dat Rhabdodon of uitzonderlijk variabel was met een volwassen gewicht dat met een factor zestig kon verschillen, of in feite drie soorten vertegenwoordigde. Een dier met een lengte van zes meter zou een driekwart ton zwaar geweest zijn. left|thumb|upright=1.7|Een afgietsel van specimen MHN-AIX-PV 2007, het tweede gevonden skelet, zoals het werd aangetroffen In het algemeen is Rhabdodon forsgebouwd. Hoewel hij hoogstwaarschijnlijk op zijn twee achterpoten kon rennen, steunde hij bij het eten op de voorpoten die krachtig zijn en lang. De schedel vormt een op de iguanodontiden lijkende paardenkop. De romp is groot en hoog, met een hoge rugkam die doorloopt tot over de heup en uitliep in een horizontaal gerichte tamelijk stijve staart. De heupzone wordt verder naar achteren verbreed door een lang zitbeen van het bekken. Rhabdodon lijkt zo op een typisch lid van de Iguanodontia waartoe hij vaak is gerekend.
In 2002 stelde Pincemaille-Quillévéré dat het lectotype het diagnostische kenmerk had van een verticale hoofdrichel op de binnenzijde van de dentaire tanden. Verder gaf ze een diagnose, bedoeld als een algemene typering, niet noodzakelijkerwijs bestaande uit onderscheidende kenmerken. Het buitenste zijvlak van het surangulare van de onderkaak wordt doorboord door twee foramina. Er bevindt zich een groot schuin beenplateau tussen de tandenrij en de buitenste beenwal van het dentarium. Het dentarium draagt negen tanden. De bovenrand en de onderrand van het dentarium lopen evenwijdig. De maxillaire tanden van de bovenkaak hebben verticale richels zonder daaronder een uitstekende hoofdrichel. De hoofdrichel van de dentaire tanden staat iets naar achteren ten opzichte van de middenlijn van de tandkroon. Het tandemail is het dikst op de buitenzijde van de maxillaire tanden en de binnenzijde van de dentaire tanden. De halswervels hebben goed ontwikkelde brede doornuitsteeksels met aan de voorzijde een verruwing. De halswervels zijn opisthocoel: van voren bol en van achteren hol. De ruggenwervels hebben zeer grote doornuitsteeksels die vierenzestig procent van de totale wervelhoogte beslaan. Hun wervellichamen zijn amficoel tot platicoel: met een holle of platte voorzijde en een holle achterzijde. Het heiligbeen bestaat uit zes vergroeide sacrale wervels en één niet-vergroeide dorsosacrale wervel daarvoor. De doornuitsteeksels van de sacrale wervels zijn vergroeid. Het schouderblad is bovenaan sterk verbreed met een holle voorrand en achterrand. Daarbij steekt de punt aan de voorste bovenrand minder uit dan de punt aan de achterste bovenrand. De processus acromialis aan de onderste voorrand is goed ontwikkeld. Het ravenbeksbeen heeft een klein uitsteeksel richting borstbeen en is doorboord door een foramen dat aan de binnenwand is afgesloten en zich dicht bij het schoudergewricht bevindt. De processus praepubicus van het schaambeen is lang, recht, afgeplat aan de buitenste zijkant en bezit een verbreed uiteinde. Het foramen obturatum is van onderen gesloten. Het zitbeen heeft een rechte en aan de buitenzijde afgeplatte schacht met een verbreed uiteinde. De processus obturatorius bevindt zich op de bovenste helft van de voorkant van de schacht. Het dijbeen heeft een uitstekende maar niet afhangende vierde trochanter. Er bevindt zich een bult op de buitenhoek van de achterrand van het bovenste dijbeen. Het dijbeen is langer dan het scheenbeen. De voet draagt vier tenen.
Chanthasit stelde in 2010 enkele onderscheidende kenmerken vast in verhouding met Zalmoxes. De processus paroccipitales van het achterhoofd zijn meer horizontaal gericht. De processus basipterygoidei zijn langer en meer zijwaarts gericht. Er bevinden zich minder richels op de maxillaire en dentaire tanden. De doornuitsteeksels van de ruggenwervels zijn hoger tot wel tweeënhalf maal de hoogte van het wervellichaam. De verbeende pezen op de wervels vormen een dubbele laag. De nek van het schouderblad is breder. De processus praepubicus van het schaambeen is langwerpig en afgeplat. In vooraanzicht is het dijbeen rechter, hoogstens iets gebogen. De klauwen van de handen en de tweede tot en met vierde teen zijn hoefvormig in plaats van spits.
R. septimanicus zou zich onderscheiden door een meer achterwaarts hellende processus coronoides van de onderkaak, het ontbreken van een beenplateau aan de buitenkant van de tandenrij en een meer gebogen tandenrij. Andere onderzoekers hebben dit soms gezien als een geval van individuele variatie.
Skelet