Pterodactylus is een geslacht van uitgestorven vliegende reptielen, een pterosauriër behorend tot de groep van de Pterodactyloidea, dat 150 miljoen jaar geleden leefde tijdens het Laat-Jura.

Pterodactylus was de eerste pterosauriër die ontdekt werd, rond 1780 in Duitsland. Het fossiel liet een wezen zien dat er heel anders uitzag dan enig thans nog levend dier. Het overtuigde, samen met de ook rond die tijd gevonden Mosasaurus, veel geleerden ervan dat dieren konden uitsterven, en dat de aarde enorm oud was en vroeger bevolkt werd door heel andere levensvormen. Georges Cuvier gaf het dier in 1809 zijn geslachtsnaam Pterodactylus, die 'vleugelvinger' betekent, omdat het een vlieghuid had die aan de lange vierde vinger vastzat. Hij toonde ook aan dat het een reptiel was, terwijl andere wetenschappers gedacht hadden dat het om een vleermuis ging of een vogel.

In het begin kreeg iedere nieuwe pterosauriërsoort die daarna ontdekt werd de naam Pterodactylus en zo werden er 106 soorten benoemd voor het geslacht. Later kregen die soorten vaak hun eigen geslachtsnaam. Ook werd duidelijk dat veel soorten samengevoegd konden worden. Fossielen die maar weinig verschilden of jonge dieren hadden namelijk ten onrechte een aparte naam gekregen. Tegenwoordig wordt nog maar één soort in het geslacht Pterodactylus erkend: Pterodactylus antiquus.

Pterodactylus is bekend van vrij veel fossielen uit de Solnhofener kalksteen. Dit gesteente heeft de eigenschap dat het de resten heel goed conserveert. Niet alleen het skelet is zo in ieder detail bekend, maar ook afdrukken van delen die op zich vergaan zijn, zoals de vlieghuiden, zijn bewaard gebleven. Hierdoor weten we dat Pterodactylus een vacht had en vermoedelijk warmbloedig was. Op de nek had hij manen en op het hoofd een schedelkam van zacht bindweefsel. De meeste fossielen zijn van jonge dieren en vrij klein; volwassen kon Pterodactylus een vleugelspanwijdte bereiken van minstens een meter.

Pterodactylus was een goede en behendige vlieger maar kon ook goed lopen doordat hij lange middenhandsbeenderen had. Staande zocht hij met zijn lange hals en spitse bek naar kleine ongewervelden in de modder.

Ontdekkingsgeschiedenis en naamgeving 300px|miniatuur|De gravure uit 1784 van het eerste fossiel van Pterodactylus, door Verhelst Collini beschrijft een raadselachtig fossiel Pterodactylus is de eerste pterosauriër waarvan wetenschappers zich bewust waren dat hij bestond. In 1784 werd de vondst beschreven door Cosimo Alessandro Collini, directeur van het naturaliënkabinet van Karel Theodoor van Beieren, de keurvorst van de Palts, te Mannheim. Het betrof een fossiel op een enkele steenplaat, gevonden in een kalksteengroeve bij Eichstätt. Het specimen was geschonken door graaf Friedrich Ferdinand tot Pappenheim, in ieder geval na 1767 — het fossiel komt dat jaar niet op de inventarislijsten van de verzameling voor — en vermoedelijk rond 1780. We weten niet of het exemplaar recent was opgegraven of zich wellicht al langere tijd in het bezit bevond van het geslacht zu Pappenheim. Collini liet de beschrijving vergezeld gaan van een fraaie kopergravure gemaakt door graveur Egid Verhelst II, de eerste afbeelding die ooit van een pterosauriër gemaakt zou worden.

links|miniatuur|Collini

Collini besteedde bijzondere aandacht aan de vondst omdat hij het een uiterst raadselachtig fossiel vond: het toonde een dier waarvan alleen duidelijk was dat het een gewervelde betrof; meer bepaaldelijk leek het bij geen enkele bekende diergroep onder te brengen. In vroeger tijden waren dergelijke curiositeiten verklaard als spelingen der natuur of mythisch geduid als resten van fabeldieren. Collini was echter een kind van de Verlichting en werd niet meer geacht in dat soort monsters te geloven. Op het eind van de achttiende eeuw begon algemeen aanvaard te worden dat fossielen de overblijfselen waren van normale dieren, die versteend waren in een, zij het nog onbegrepen, natuurlijk proces. Dit dier echter, was verre van 'normaal' en leek precies zo'n monster. Al eerder was het velen opgevallen dat dieren uit oudere aardlagen niet identiek waren aan de huidige en Collini begon zich bij deze vondst voorzichtig af te vragen of een eerdere leefwereld niet bevolkt was geweest door zeer afwijkende vormen. In zijn worsteling dit probleem te bevatten, werd hij gehinderd door het feit dat op dat moment een grote ouderdom van de aarde noch het uitsterven van diersoorten gangbare denkbeelden waren; het hele begrip uitsterving bestond niet eens. Toch overwoog hij de mogelijkheid dat een soort catastrofe de oudere dieren zou hebben uitgeroeid waarna op een af andere wijze weer nieuwe dieren verschenen.

300px|miniatuur|Een afgietsel van het fossiel

Zijn beschrijving van het fossiel liet hij echter niet te veel door dit soort speculaties beïnvloeden. Hij deed zijn best het dier met bestaande vormen te vergelijken. Daarbij probeerde hij vooropgezette denkbeelden zo veel mogelijk te vermijden. Hoewel het skelet redelijk in verband lag, waren er kleine onderbrekingen met de rechterhand en -voet; Collini besteedde hierom serieuze aandacht aan de mogelijkheid dat die van een ander dier afkomstig zouden kunnen zijn. Hij begreep dat de armen van het dier opgevouwen konden worden en dat de verlengde vierde vinger een vlieghuid ondersteund zou kunnen hebben. Daaruit werd door hem echter niet de conclusie getrokken dat hij een heel nieuwe groep vliegende dieren ontdekt had maar hij trachtte de vorm onder te brengen bij bekende vliegende groepen. Daarbij verwierp hij meteen de mogelijkheid dat het een vogel zou kunnen zijn, daarvoor was de bouw te afwijkend. Met de vleermuizen bestonden overeenkomsten in de lange vingers, de staart en de achterpoten; de schedel was echter zo volkomen verschillend dat ook die groep niet in aanmerking kwam. Uiteindelijk was zijn conclusie dat als het dier aan enige huidige vorm verwant was, het om een nog onontdekte vorm moest gaan die zich in de diepten van de zee voor de mensheid verscholen had weten te houden en dat het membraan van de armen in dat geval wellicht gebruikt zou zijn om te zwemmen — maar om daar iets met zekerheid van te zeggen, zouden we veel meer moeten weten van de algehele levenswijze van het dier; heel misschien was die "amfibisch", dus met een mogelijkheid zowel in het water als op het land te leven.

Cuvier stelt vast dat zijn Ptéro-Dactyle een reptiel is miniatuur|300px|Johann Hermann aan zijn werktafel In 1800 werd het fossiel onder de aandacht gebracht van de Duits/Franse vergelijkend anatoom Georges Cuvier. De aanleiding daarvoor was tamelijk bijzonder: het Franse Consulaat was net een campagne begonnen in Duitsland en het Franse leger werd vergezeld van een speciale politiek commissaris, François-Marie Neveu, wiens opdracht het was zo veel mogelijk kunstschatten en zaken van wetenschappelijk belang naar Frankrijk af te voeren. De rechtmatige eigenaars hadden daarbij de keuze hun bezit vrijwillig af te staan in dienst der kunsten en wetenschappen of het onvrijwillig kwijt te raken als oorlogsbuit; beide mogelijkheden tezamen stonden bekend onder de noemer saisies et offrandes volontaires. In Straatsburg nu woonde professor Jean of Johann Hermann, en die stuurde in maart 1800 een brief naar zijn vriend Cuvier in Parijs met de vraag eens uit te kijken of er met de zendingen niet het fossiel van Collini meegestuurd zou worden. Hij had namelijk van een collega in Mannheim vernomen dat de verzameling daar grotendeels was leeggeroofd. Weliswaar zei hij te walgen van de handelwijze van de Franse troepen, die hij omschreef als vandalen en plunderaars, maar het was een uitgelezen kans om het exemplaar nader te bestuderen.

links|miniatuur|Johann Kuefer, alias Georges Cuvier

Het fossiel zou nooit in Frankrijk aankomen maar Cuvier, die zich tot dat moment misschien niet eens bewust was geweest van het bestaan ervan, zocht meteen Collini's artikel op. In december 1800 vermeldde hij het dier al in een gepubliceerde opzet voor een groot werk dat hij over de gewervelden wilde schrijven; meestal wordt echter als datum daarvoor 1801 gegeven toen ongeveer dezelfde tekst nog eens herdrukt werd in een blad, het Journal de Physique. Daarin kwam hij meteen tot de conclusie dat het een vliegend reptiel betrof, te vergelijken met Draco, het vliegend draakje. De beschrijving bestond maar uit één enkele zin; uit Cuviers andere documentatie weten we dat hij de determinering als reptiel grondde op de cilindrische vorm van het quadratum (een schedelbeen), en verder op het schaambeen, de gelijkvormige tanden en het aantal kootjes in vingers en tenen. Cuvier raakte hierdoor ook meer ingevoerd in de problematiek van het sterk afwijken van eerdere levensvormen. Ongeveer tezelfdertijd werd hij door Adriaan Gilles Camper geïnformeerd dat het fossiel van Mosasaurus dat van een reusachtige varaan was en zo ontstond bij hem de gedachte dat er een eerdere leefwereld bevolkt door reptielen moest hebben bestaan die daarna waren uitgestorven; daarbij zou hij teruggrijpen naar dezelfde catastrofenleer die hij al in Collini's artikel had kunnen lezen. Hermann had er nog op gewezen dat het dier wellicht ook tegenwoordig nog leefde en had ter ondersteuning een prent opgestuurd van een uit China gemeld dier dat een vleermuisachtig lichaam combineerde met de snavel van een vogel, maar Cuvier had dit soort indirect bewijs onmiddellijk als irrelevant van de hand gewezen. In Frankrijk werd Cuviers interpretatie van het fossiel meteen aanvaard, zelfs iets te enthousiast: in 1803 vermeldde François Marie Daudin de soort in zijn standaardwerk over reptielen als een nauwe verwant van Draco, iets wat Cuvier nooit bedoeld had. In Duitsland zag Johann Friedrich Blumenbach het echter in hetzelfde jaar als een oevervogel (palmipède).

thumb|300px|De eerste tekening van Hermann

Cuvier probeerde zich nu een beeld te vormen van uiterlijk en levenswijze van het dier. Hermann had hem daarbij reeds geïnformeerd van diens eigen denkbeelden hierover: het zou een 'tussenvorm' geweest zijn tussen zoogdieren en vogels. Daarmee bedoelde Hermann geen soort die in afstamming tussen beide groepen stond want hij was geen evolutionist, maar letterlijk een wezen dat qua vorm het midden hield tussen de algemene bouwwijze, het archetype, van een zoogdier en een vogel. Het lichaam zou vleermuisvormig geweest zijn, inclusief vacht, melkklieren en externe genitalia, maar de kop vogelachtig, zij het met oorschelpen. Deze hypothese zou Cuvier buiten beschouwing laten, nu hij vastgesteld had dat het om een reptiel ging. Maar Hermanns verwijzing naar vleermuizen en vogels had samengehangen met een tweede suggestie die veel waardevoller zou blijken: dat het dier toch kon vliegen door middel van een vlieghuid verbonden met de vierde vinger. Hermann had daarbij twee pentekeningen aan zijn brief toegevoegd die lieten zien hoe hij zich dat voorstelde, de eerste reconstructies van een levende pterosauriër die we kennen. Bij de eerste was de vleugelvinger helemaal rond gebogen totdat hij contact maakte met de vijfde teen zodat een eigenaardig soort korte vlinderachtige vleugels ontstonden. Boven de tweede pentekening schreef Hermann dat hijzelf ook niet begreep waarom hij gedacht had dat de vleugel zo'n onwaarschijnlijke vorm gehad zou hebben en gaf een veel praktischer alternatief weer: de vleugelvinger was recht uitgestoken naar de zijkanten en de achterrand van de vlieghuid liep van de punt van de vleugel naar de enkels. Ook zou er een vlies geweest zijn dat van de voorrand van de vleugel naar de nek liep. Hermann verwierp Collini's denkbeeld dat het hiermee zou kunnen zwemmen: zeedieren hebben juist verkorte in plaats van verlengde ledematen. Dit was het model dat Cuvier zou overnemen.